VADADA

Inleiding


Ik leef nog steeds in die tijd en heb me niet ontwikkeld, omdat ik denk dat dat de juiste tijd was.

– Kurt Schwitters aan Nelly van Doesburg, 21 mei 1947

Aankondiging Kleine Dadasoirée, 1923

In 1923 organiseert schilder Theo van Doesburg samen met Nelly van Doesburg en Kurt Schwitters een ‘Dada-veldtocht’ langs de Nederlandse theaters. In de aankondigingen wordt een serieuze toon aangeslagen over het doel van de tournée. Zo wordt in de kranten vermeld dat het hier gaat om ‘een ernstige poging het publiek door verklaring en voorbeeld nader te brengen tot de kunst van zijn tijd.’

De voorstelling begon – serieus genoeg – met een uiteenzetting van Theo van Doesburg over de vraag ‘Wat is Dada?’ Maar al snel werd de redevoering onderbroken door een krachtig geblaf van achter uit de zaal: Kurt Schwitters maakte zijn aanwezigheid kenbaar. Hij liet het daar niet bij, maar begon ook te koeren als een duif, te kwaken als een kikker en te kraaien als een haan. Vanaf dat moment was duidelijk dat het een zeer ongewoon avondje theater zou worden.

Blaffen en kraaien
De veldtocht werd een succès de scandale. Er werd uitgebreid aandacht aan besteed in de kranten, meestal op een kritische, vijandige toon, een enkele recensent daargelaten. Maar de negatieve kritieken weerhielden de courantenlezer niet om naar de voorstelling te komen. Integendeel, het publiek, dat veelal tot de burgerlijke elite behoorde, was geschokt door het provocatieve optreden van Theo van Doesburg en vooral Kurt Schwitters, maar vaak ook zeer geamuseerd, en men begon mee te joelen, te blaffen, te kraaien en teksten te brallen. Men had wel zin in een relletje. Zo zeer zelfs dat van Doesburg het op een gegeven moment noodzakelijk vond de voorstelling stil te leggen totdat het publiek weer rustig werd.
Want ook al waren van Doesburg en Schwitters vanaf het begin van plan geweest om de boel eens flink op stelten te zetten en het publiek te choqueren en te irriteren, toch is in hun betoog wel degelijk een ernstige ondertoon te beluisteren.

Nieuwe wegen
De oorsprong van Dada ligt in de waanzin van de Eerste Wereldoorlog. Dada is een afrekening met de oude maatschappelijke waarden en verhoudingen die hebben geleid tot een georganiseerde massamoord. Het nationalisme, religie, de eerbied voor koning of de keizer, voor de gevestigde orde en de paternalistische negentiende-eeuwse kunst en cultuur, het moest allemaal op de vuilnisbelt.
Dit pleidooi voor een nieuwe blik op de werkelijkheid vindt men in heel de Dada-beweging en allerlei andere stromingen uit het begin van de twintigste eeuw, die op zoek waren naar nieuwe wegen in de kunst. Voor de dadaïsten speelde het kind daarbij een cruciale rol. De onbevangenheid en de fantasie van het spelende kind zijn toonaangevend voor de dadaïstische mentaliteit: onaangepastheid, rebelsheid, bespotting van de gevestigde orde, ernst die voortdurend wordt ondergraven door humor, en het zoeken naar nieuwe wegen in de kunst.

Va Dada
In onze voorstelling, die precies 101 jaar na de oorspronkelijke voorstelling in première zal gaan, willen wij deze mentaliteit opnieuw in beeld brengen. Wij beperken ons niet alleen tot Van Doesburg, maar gebruiken ook teksten van de eerste dadaïsten (Tristan Tzara en Hugo Ball), een aantal Nederlandse dada-dichters (Anthony Kok en Evert Rinsema), voorlopers zoals Alfred Jarry en Guillaume Apollinaire, Kurt Schwitters die een late dadaïst was, en Daniil Charms, die helemaal geen dadaïst was maar wiens taalgebruik en gedachtengoed veel overeenkomsten heeft met Dada, en tenslotte John McCrae de oorlogsdichter die schreef over de waanzin van WO I.

Nelly en Theo van Doesburg tijdens de Kleine Dadasoirée, 1923
De veldtocht dient als uitgangspunt, maar niet meer dan dat: met de teksten van toen willen wij een dada-voorstelling anno nu maken. Centraal staat het spelende kind tegen een achtergrond van oorlog en vernietiging. Creativiteit en destructie, repressie en propaganda als manieren om de gruwelijke realiteit te verdoezelen, excentrieke onaangepastheid en spontaneïteit als manieren om de werkelijkheid bij de staart te vatten, een aversie tegen elke hoogdravende kunstzinnige pretentie, aardsheid, oog voor het gewone, het alledaagse en onbeduidende, een nieuwe manier van kijken, zonder vooropgezette bedoeling, diepzinnig-clownesk, plechtig-irritant, eerbiedig-spottend, en altijd op de eerste plaats Dada.

Henri Overduin
Amsterdam, maart 2024


VADADA | Trio Strotski

spel en zang: Guy Sonnen, Henk Zwart en Henri Overduin
regie: Michael Helmerhorst
script: Henri Overduin
gastcomponist: Egmont Zwaan
vormgeving: Martin van der Veen
fotografie: Carla Schoo

duur: 60 minuten
locatie: kleine zaal
speelperiode: oktober 2024 – april 2025 (m.u.v. december)